Weervisserij

Wat is weervisserij?

Ansjovis vangt men op de Oosterschelde met ‘weren’. Een weer bestaat uit twee rijen vleugels (vleuken) van houten staken die over een lengte van 800 tot 1.000 meter in een V-vorm in de zeebodem staan. De punt van de V wordt gevormd door het fuikgat die precies in de watergeul van het weglopend water ligt. De inwendige hoek van het weer is 45 tot 50°. Het hout van de 4 à 5 meter lange staken, worden dicht bij elkaar in de bodem van de zandplaat gestoken. Naarmate men de plaats van het fuikgat nadert komen de staken steeds dichter bij elkaar te staan. Vlakbij het fuikgat worden aan de staken netten aangebracht die ervoor zorgen dat de vis niet meer kan ontsnappen de zogenaamde weerkamer.

Werking

Bij hoog water steekt het weerhout nauwelijks boven het water uit. Bij laag water vallen de uiteinden van de vleuken droog. De vis die bij hoog water de ondiepe delen van de Oosterschelde opzoekt, gelokt door de iets hogere watertemperatuur boven de ondergelopen zandplaten, raakt binnen het houtwerk van de vleuken. Als de vis bij afgaand tij probeert weg te zwemmen houden de houten staken hem tegen. Zo wordt de vis steeds verder de weerkamer ingedreven. Bij laag water zetten de weervisser een fuik voor het fuikgat en halen de horren weg. Vervolgens drijven ze te voet de vis uit de weerkamer de fuik in.

Historie weervisserij

De opkomst van de ansjovisvisserij op de Oosterschelde hangt samen met ecologische veranderingen van de Scheldemonding in de zestiende eeuw. In 1530 vindt op 5 november, de dag van Sint Felix, een stormvloed plaats die later de Sint Felixvloed (quade saterdach) genoemd is. Grote delen van Zeeland, waaronder het gebied ten oosten van Yerseke, worden overspoeld door het water en volledig weggevaagd. In dat gebied zijn 18 dorpen en de stad Reimerswaal gevestigd. Doordat de stad Reimerswaal iets hoger ligt dan de rest van het gebied, blijft de stad als een klein eilandje achter. Het land er omheen kan echter niet gered worden. Opeenvolgende stormvloeden zorgen ervoor dat wat nog resteert na 1530 alsnog in de golven verdwijnt (o.a. Reimerswaal). De vaarroute van en naar Antwerpen langs de Brabantse Wal verzandt. Een ramp voor de handel in Bergen op Zoom, maar een zegen voor de Bergse vissers. Dicht bij de stad ontstaan in ondiep water rijke visgronden; een ideale paaiplaats voor de ansjovis. Het overstroomde gebied kennen we nu als het Verdronken Land van Zuid-Beveland.